Ochtend

Ik hou op sommige momenten het meest van de ochtend. Gewoon omdat je dan, vanuit een soort verdoofde toestand het leven tot je neemt. Er lijkt van alles te gebeuren, maar vanuit een soort ochtendroes gaat alles een beetje langs je heen. Je leeft als in een automatisme. Zouden dieren ook zo leven?

Ik stond vanochtend op. Er werd op het raam geklopt. Huh? Er stond een schilder op het balkon, die mijn raam wilde schilderen en hij wilde weten of ik vandaag thuis was. Nee, ik ga de hele dag werken. Morgen werk ik wél de hele dag thuis. “Ok, dan kom ik morgen schilderen, prima!”

Even naar de bakker voor vers brood. Zou het koud zijn, buiten? Het ziet er wel zonnig uit. In mijn longsleeve loop ik naar buiten. Valt best mee. Naast de Albert Heijn staan twee vrieswagens klaar om uit te laden en de laders én de lossers zetten de deuren wijd open. Binnen een seconde vliegt een koude, vriezende luchtstroom mij om de oren. Dat verwacht je toch niet?


De altijd chagrijnige bakkersvrouw en haar olijke zoon verkopen me een bruin brood. Het ziet er goed uit, maar als ik thuis dan een hap van het brood neem, dat besmeerd is met bio-pindakaas (“puur pinda’s met een snufje zeezout”) en boter merk ik dat ik deze hap onmogelijk mijn keel in kan krijgen, laat staan eruit. Happend naar lucht loop ik naar de wasbak waar ik met een Heimlichgreep mezelf verlos van dit droge baksel dat mijn huig omhelst. De bakker had vandaag duidelijk zijn bakdag niet.

Wellicht krijgen we dat stroeve ontbijt makkelijker weg met een lekker glaasje jus d’orange. Ik pers wat sinaasappels uit en bij de laatste breek ik mijn stalen juspers door midden. Contrabas spelen heeft ook zijn nadelen. (Ik post nog wel een foto van mijn arme, arme citruspers).

Tijd om op de fiets te stappen. Bij een bocht laat een man met een kind achterop zijn tas vallen. “Laat maar, meneer” roep ik, als ik zie dat hij zijn tas wil pakken, daarmee riskerend dat fiets en zoonlief omvallen. Ik pak de tas en de man is blij.

Ik kom bij een kruispunt en laat een man voor die bij een zebra staat. Nee, zegt de man, ga jij maar voor. Nee, zeg ik, ga jij maar voor. Nee, zegt de man, ga jij maar voor. Nee, zeg ik, ik sta nu toch al stil. De man accepteert met een glimlach op zijn ochtendgezicht zijn lot en steekt over.

Bij Centraal Station aangekomen leg ik mijn banaan achterop een andere fiets en ik zet mijn fiets in het rek. Compleet bezig met het voorkomen van het zwart en beurs worden van mijn banaan loop ik weg. Aangekomen bij CS vraag ik me af of ik mijn fiets eigenlijk wel op slot heb gezet. Ik loop 5 minuten terug. Ja dus.

Rustig aangekomen bij de trein ben ik precies op tijd. Ik stap rustig de trein in, terwijl mensen om me heen rennen op het perron. Heerlijk. De dag kan beginnen.